Schröpfen

 

Wat is Schröpfen?

 

Schröpfen

Schröpfen

Een geschiedkundige terugblik

 

Het schröpfen (“koppenzetten”) is vrijwel de oudste methode van genezing en is waarschijnlijk ontstaan uit het uitzuigen van een wond of beet. Later werden holle kalebassen gebruikt en horens van vee, waarvan de punt afgezaagd was, waarna men met de mond een vacuüm zoog en vervolgens de opening met een prop afsloot. Via het gebruik van metalen en aardewerken koppen kwam men bij het gebruik van glazen koppen terecht van verschillende grootte, die nu nog o.a. in China en in Europa gebruikt worden.

Een eerste aanwijzing van deze geneesmethode is terug te vinden op een artsenzegel uit Mesopotamië, daterend uit ongeveer 3300 voor Christus. De Grieken kenden zelfs een beschermgod van het schröpfen: Telesphorus, zoon van Asclepios, wiens slang en staf vandaag nog symbool staan voor de geneeskunde. Rond 2200 voor Chr. kwamen geschriften uit Egypte met omschrijvingen van deze therapie en indicatiegebieden. Ook in de Ayurveda, de Indische geneeskunde, werd het schröpfen toegepast.

Paracelsus (1494 – 1541) introduceerde de stelling: “Waar de natuur pijn veroorzaakt, daar zijn schadelijke stoffen opgehoopt die ze wil verwijderen. Als de natuur niet in staat is dit plan zelf uit te voeren, moet de arts een kunstmatige afvoer op de zieke plek maken en zo de pijn en de ziekte snel te laten helen.” Deze stelling doelt met name op het bloedig schröpfen dat slechts een deel van de schröpfbehandeling omhelst.

Volgens Hippocrates  (460 – 359 voor Chr.) dient het schröpfen ertoe om lokaal ziekteverwekkende stoffen naar buiten te trekken of ziekte-verwekkende stoffen van verder verwijderde organen af te leiden (=afleidingstherapie), als grondslag voor het begeleiden en stimuleren van de natuurlijke reiniging. Hij paste het voornamelijk toe bij: pijnen, ontstekingen, stoornissen in de excretorische functies, menstruatiestoornissen en anderen klachten van gynaecologische aard.

Galenus (131 – 201 na Chr.) schreef “Die Blutenziehung als Heilverfahren”, waarin hij uitvoerig de indicaties, technieken en lokalisaties beschreef. Hij gaf wat nauwkeuriger aanwijzingen m.b.t. behandeling van klachten op verder verwijderde lichaamsdelen. Hij omschreef de effecten van het schröpfen als: pijnverdrijvend, het wegnemen van ontstekingen, afname van zwellingen, eetlustopwekkend door de maagversterkende werking, verheldering van de geest en het opheffen van menstruatiestoornissen.

In de Arabische geneeskunde is het o.a. de bekende arts Avicenna (980 – 1037 na Chr.) die het schröpfen beschreef.

Door de geschiedenis heen zijn er perioden waarin de geneesmethode in diskrediet geraakte door het teveel en ten onrechte gebruik van het bloedig schröpfen. In 1928 is het Bernhard Aschner die met zijn boek “Die Krise der Medizin”  de oude geneesmethoden met betrekking tot de humoraal-pathologie weer onder de aandacht bracht.

 

De methode

 

Men kent  twee vormen van schröpfen: a. droogschröpfen en

b. bloedig schröpfen.

Bovendien kent men ook                       c. schröpfkopmassage.

 

Ad a. Bij het droogschröpfen wordt de huid vooraf ingesmeerd met een glijmiddel: dit kan zijn een zalf met een hyperemische werking of, bij overgevoeligheid daarvoor, met een neutrale massageolie. Vervolgens zijn er twee technieken om ervoor te zorgen dat het glas zich vacuüm trekt:

– er wordt een plukje watten met wat vocht in het glas bevestigd en vervolgens aangestoken vlakbij de te behandelen plek, waarna men snel de kop zet;

– men wikkelt een pluk watten om een staafje, doopt dat in de spiritus en steekt dan de watten aan. De brandende wattenstok wordt dan dicht bij de te behandelen plek in het glas gestoken, waarna de kop snel gezet wordt.

Voor een optimale vacuümwerking is snelheid bij het zetten van groot belang.

Beide methoden vereisen grote zorgvuldigheid en oefening omdat men anders bij de patiënt brandblaren kan veroorzaken.

De droog gezette koppen blijven zo’n 5 – 20 minuten zitten. Om ze te verwijderen drukt men met een vinger tussen huid en glasrand om zo het vacuüm langzaam op te heffen.

Droogschröpfen past men voornamelijk toe bij:

zwakke en chronische toestanden, bij spastische aandoeningen van de holle organen, bij verminderde doorbloeding (van de extremiteiten) en bij hypotonische, anemische en asthenische personen.

 

Ad b. Bij het bloedig schröpfen kan men eerst vooraf droogschröpfen gedurende enkele minuten als voorbereiding. Vervolgens kan men de klassieke “schröpfsnepper” gebruiken om de kleine huidinsnijdingen te maken. Dat is een voorwerp met acht of tien messen dat men in de huid slaat, op zich een pijnloze methode. Een andere mogelijkheid is de huid van minstens 10 kleine inkervingen (diepte 5 – 8 mm) te voorzien d.m.v. een bloedlancet, hetgeen wel pijnlijker is. Voordeel van deze werkwijze is echter dat we te maken hebben met wegwerpmateriaal dat altijd steriel is. Wel vereist het enige handigheid van de therapeut en vertrouwen van de patiënt. Belangrijk bij het bloedig schröpfen is op meridiaanverloop en de splijtlijnen van de huid te letten. Die zijn gemakkelijk te herkennen bij het samenduwen van de huid en lopen vrijwel evenwijdig aan de schuine dermatomen, die overeenkomen met de segmentering van de rug. Anders is er kans op littekenvorming. Men plaatst vervolgens de gesteriliseerde kop op de bewerkte plek zoals hierboven beschreven. Hoe lang de kop blijft staan is afhankelijk van het stollen van het bloed en het zetten van meer koppen achter elkaar kan geïndiceerd zijn.

Bloedig schröpfen past men voornamelijk toe bij:

robuuste en volbloedige personen, bij zwelling en stuwing, bij ontstekingen en bij onzuiverheid van de lichaamssappen.

Vaak roept het bloedig schröpfen een labiele vegetatieve reactie op die doorgaans een psychische achtergrond kent van angst en spanning.

Ad c. Bij de schröpfkopmassage (Saugglockenmassage) wordt de huid allereerst ingesmeerd met olie dan wel een zalf. Net als bij het droogschröpfen wordt de kop op de huid bevestigd, waarna hij verschoven kan worden. De massage duurt zolang totdat het behandelde gebied rood tot blauw verkleurd is. De methode kan pijnlijk zijn, net als bij een bindweefsel-massage. Hoe kleiner de mondopening van het glas, hoe pijnlijker.

 

Werking

 

De werking van het schröpfen wordt gekenmerkt door:

– intensieve huidprikkeling

– intensieve doorbloeding

– versnelde uitscheiding

– verhoogde afweer wegens een verandering in het bloedbeeld

– verhoogde ontspanning

– pijnbestrijding

– mogelijke tonusverhoging van het weefsel.

 

De voorbereiding

 

Voor men begint dient men de hygiëne in acht te nemen:

handen wassen, rubber onderzoekshandschoenen dragen, werken met steriele materialen (koppen kan men steriliseren o.a. in de oven op 180 graden gedurende 60 minuten), sieraden afdoen.

Verder is het raadzaam zorg te dragen voor een warm vertrek en een prettige houding.

De benodigdheden: schröpfkoppen, zalf of olie, alcohol (70%), watten, steriele gaasjes, celstof tupfer, leucopor, bloedlancetten, handschoenen, aansteker of lucifers, onderzoektafel of -stoel en een kruk.

 

De rug dient als diagnostisch veld. Hiertoe wordt de patiënt op de onderzoek tafel neergezet zodanig dat de hielen net over het voeteneind steken. Dan wordt hij verzocht de rug te krommen, waarbij de enkels vastgehouden mogen worden ofwel de schouders afhangen. Zo wordt het onderzoek vereenvoudigd en kan men subtiele afwijkingen waarnemen. In de diagnostiek en behandeling wordt o.a. gebruik gemaakt van de zones van Head en McKenzie, (segmentale) reflexgebieden, dermatomen, myotomen, cutiviscerale reflexgebieden en meridianen. De reflexgebieden weerspiegelen de dynamiek van het voortschrijdende proces van het lichaam: houding en functie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Bij het betasten van de rug zijn vaak pijnlijke gelosen voelbaar, dan wel verharde of slappe, levenloze plekken.

Het kan zinvol zijn de te behandelen schröpfgebieden tijdens het onderzoek met een stift op de huid te merken.

 

 

Contra-indicaties

 

Men mag niet schröpfen op: wratten, wondjes en moedervlekken, e.d. Bovendien werkt men nooit te dicht bij de wervelkolom, i.v.m. de druk van het liquor; en dus nooit op de wervels zelf, behalve op L5 als uitzondering.

 

 

Indicatiegebieden en indicaties

 

Gelosen. Er zijn twee soorten gelosen te onderscheiden:

a. de koude of bleke gelose en

b. de warme of rode gelose.

Ad a. De koude gelose betreft een bloedarme verharding die overal in het lichaam waarneembaar kan zijn en pas pijnlijk reageert bij krachtige druk. Ook manifesteert het zich echter oppervlakkig over een groter gebied zoals bij de “Kummerbuckel” (verdrietbochel) onderaan de nek. Vaak duidt het op een chronische aandoening met een energie- en bloedleegte. Bij bloedig schröpfen kan dan zelfs een verergering van het beeld optreden: door het tekort aan bloed is er tevens een tekort aan zuurstof. Dat leidt tot een gebrekkige activiteit van de cellen, de stofwisseling verstart en dat brengt juist een verzuring teweeg.

Ad b. De warme gelose duidt juist op een met gestuwd bloed overladen gebied in het bindweefsel of in de spierbuik. Bij palpatie neemt men een pijnlijke verharding waar, hoewel druk doorgaans als prettig en verlichtend wordt ervaren. Er is hier sprake van een bloedvolte.

Een goed onderscheid kunnen maken tussen beide gelosen en hun overgangsfase komt met de ervaring.

 

1. de nek- en achterhoofdzone.

Lokalisatie: Ter hoogte van C 3/4, 2 cm paravertebraal, doorgaans bloedig schröpfen.

Indicaties: Migraine, sinusitis maxillaris, tonsillitis, hypertonie, occipitaalneuralgie, glaucoom, apoplexie, gedeeltelijke luxatie van de halswervels.

 

2. de schouderdriehoek.

Lokalisatie: C4, gelosen in m. supraspinalis en het daaropliggende deel van de m. trapezius en bindweefsel. Het segmentgebied van C4 kan men als reflexzone van de medulla oblongata beschouwen.

Indicaties: alle ontstekingsprocessen in het hoofdgebied, tinnitus, duizelingen, ziekte van Raynaud, schouder- en armklachten waaronder brachialgia nocturna, epicondylitis. Doorgaans bloedig schröpfen.

De linker schouderdriehoek slechts met terughoudend bloedig schröpfen omdat de reflexzone van het hart daar gelegen is.

 

3. gal- en levergebied.

Lokalisatie: C7 tot Th8, rechtszijdig. De tonus van de galwegen wordt verhoogd waardoor de lever de galtoevloed verhoogd: reiniging.

Indicaties: alle gal- en leverklachten, poortaderstuwing, autointoxicatie bij obstipatie, hyperaciditeit van de maag en andere maagklachten, migraine, psychische klachten verband houdende met de lever/galenergie zoals depressies, ook tijdens het climacterium. Doorgaans droogschröpfen.

 

4. hart- en maaggebied.

Lokalisatie: C4/C5 tot Th5.

Indicaties: beklemde adem, intercostaal neuralgische pijnen, “valse” en ware hartklachten, atonische maag (droogschröpfen).

 

5. de depressiebochel.

Lokalisatie: het omvat het segment C4 tot en met Th5. De schouders lijken plankhard en de rug verkrampt. De patiënt kan vaak nauwelijks slapen van de pijn. Uit de anamnese blijkt dat hier vaak onverwerkte ervaringen betreft. Schröpfen levert dan vrijwel geen resultaat op; warmtetherapie daarentegen brengt wel verlichting. Wel zou men droogschröpfen of schröpfkopmassage kunnen proberen.

 

6. “Poort van de Wind”

Lokalisatie: Tussen de dwarstuitsteeksels van de Th2 en Th3 aan de binnenste blaasmeridiaan.

Indicaties: asthma bronchiale en asthma cardiale doorgaans i.c.m. met schröpfen van het niergebied, longinfekties en -klachten, pneumonie, bij therapie-resistente migraine, pleuritis (droogschröpfen).

 

7. pancreasgebied.

Lokalisatie: Th 5/6 of Th 6/7, een handbreedte naast de wervelkolom, alleen bij zorgvuldige palpatie voelbaar.

Indicaties: parasthesiën en jeuk op de rug, intercostaalneuralgie, herpes zoster, diabetes mellitus, pancreaszwakte, fibromyalgie.

 

8. niergebied.

Lokalisatie: Op de aanhechtingspunt van de 12e rib een handbreedte caudaal en 3 vingers breed paravertebraal in het segment van Th9.

Na schröpfen van het galgebied is dit het belangrijkste gebied om reiniging van de lichaamssappen aan te zetten: de doorbloeding van de nieren wordt gestimuleerd.

Indicaties: rugklachten, pijn in het niergebied, fibromyalgie, migraine, nachtelijk zweten (ook buiten het climacterium om), nefrogene hypertensie (i.c.m. bloedig schröpfen op L5), nierinfecties. Bij typisch asthenische mensen nooit bloedig schröpfen en zelfs met terughoudendheid droogschröpfen op het niergebied; de voorkeur geniet dan warmte-toepassingen.

 

9. lende-en darmgebied.

Lokalisatie: tussen het niergebied en bovenste bekkenkam. Er wordt doorgaans slechts eenzijdig geschröpft en wel aan de pijnlijke zijde.

Indicaties: alle klachten die een betere doorbloeding van de buikholte vragen en alle onderrugklachten. Ook warmtetoepassingen zijn dan aan te bevelen. Neuralgische klachten, meteorismus en nerveuze darmkrampen.

 

10. ileosacraalhoek.

Lokalisatie: Segment L2 -L3 vanaf het os sacrum, wervelkolom en stijgende os ilium.

Indicaties: overgangsklachten, dysmenorrhoe, amenorrhoe. prostatitis, aambeien (i.c.m. galgebied), lumbago, neuralgische klachten, phlebitis (i.c.m. bloedig schröpfen van gal- of niergebied).

 

Bron:        Schröpfkopfbehandlung Theorie und Praxis, J. Abele, Haug Verlag 1995

Aschner-Fibel, U.Abele/Stiefvater, Haug Verlag 1996

Syllabus Schröpfbehandeling en Baunscheidt-therapie, C.W. de Kievit

Geneeswijzen in Nederland, P. van Dijk